Een tijdje geleden kreeg ik krampen in mijn bovenbuik. Die begonnen ’s middags en werden in de loop van de dag steeds heviger. Ze leken op hartkrampen, maar ze voelden net wat anders. Naarmate de avond vorderde, begon ik steeds meer te twijfelen of ik de huisartsenpost moest bellen. Ik was alleen thuis en het zat me niet helemaal lekker. Maar ik wist ook dat als ik, met mijn achtergrond, de huisartsenpost zou bellen, er waarschijnlijk een ambulance gestuurd zou worden. En zo erg leek het me nou ook niet.
Ik bedacht wat ik in zo’n geval aan een ander zou adviseren. Mijn advies zou vrij duidelijk zijn: niet zelf dokteren, laat een arts beslissen. Dus ik volgde mijn eigen advies op. Rond half 11 belde ik met de huisartsenpost. Ik vertelde over mijn klachten en vertelde er meteen ook bij dat ik behoorlijk wat ervaringsdeskundigheid heb op het gebied van het vrouwenhart.
Als je een huisartsenpost belt, dan weet je eigenlijk al dat er een ambulance gestuurd gaat worden. Dat betekent: een ambulance in de straat, buren die meekijken.
En zoals ik al verwachtte: de dame aan de telefoon stuurde direct een ambulance. Ik vroeg nog of ik niet zelf langs kon komen op de huisartsenpost. Maar haar antwoord was duidelijk: ‘Met deze klachten schrijft het protocol voor dat ik nu een ambulance stuur.’
Een paar minuten later arriveerde er een ambulance. Tegelijkertijd kwam ook mijn man thuis. De ambulancemedewerkers maakten een hartfilmpje, deden wat metingen en observeerden een beetje hoe ik erbij zat. Ze constateerden wel een hartritmestoornis, maar die was mij al bekend. Hun eindconclusie was dat die krampen niet van mijn hart kwamen, maar waarschijnlijk veroorzaakt werden door een virusinfectie.
Daarna voelde ik me erg stom. De ambulancemedewerkers verzekerden me dat ik dit niet zo moest voelen, en dat ze liever tien keer voor loos alarm komen dan één keer te laat. Een huis-tuin-en-keukenritje noemden ze het. Maar dat stomme gevoel bleef toch hangen. Ook al omdat ik vreesde dat het ambulancebezoek in de straat niet onopgemerkt was gebleven. De ambulance had toch wel een half uurtje met zwaailichten voor onze deur gestaan. Duidelijker kan niet. En inderdaad: de volgende ochtend kreeg ik van verschillende buren een berichtje om te vragen of het wel goed ging.
Waarom vertel ik dit verhaal? Omdat ik vermoed dat heel veel hartpatiënten dit zullen herkennen. Als je een huisartsenpost belt, dan weet je eigenlijk al dat er een ambulance gestuurd gaat worden. Dat betekent: een ambulance in de straat, buren die meekijken. De angst dat het loos alarm is, maar ook de angst dat er wél iets aan de hand is. En in het geval van vrouwenhartproblemen gebeurt het ook nogal eens dat een ambulance weer weggestuurd wordt, terwijl naderhand blijkt dat er wel iets aan de hand is. Dus daar moet je ook weer alert op zijn.
De angst dat het loos alarm is, maar ook de angst dat er wél iets aan de hand is.
De ambulancemedewerkers hebben mij op het hart gedrukt hebben om in geval van twijfel te blijven bellen. Maar ik vrees dat ik een eventuele volgende keer dezelfde twijfel zal houden.
Ik ben benieuwd hoeveel hartpatiënten zich herkennen in dit verhaal. Wat doen jullie in zo’n twijfelgeval? Wil je jouw ervaringen delen? Dat kan via de reacties onder deze blog.
Tekst: Annemiek Hutten / Het Vrouwenhart Spreekt
Alle artikelen op deze website zijn eigendom van Het Vrouwenhart Spreekt. We stellen het op prijs als u deze zoveel mogelijk deelt, zodat de verhalen en ervaringen van vrouwenhartpatiënten gehoord worden. Graag wel vanuit deze pagina, zodat de bron duidelijk is. Wilt u (delen van) deze tekst kopiëren om ergens anders te plaatsen? Neem dan s.v.p. contact op via het contactformulier op deze website.

Heel herkenbaar. Ik betrap me er ook op dat ik zelf aan het dokteren ben en dat ik het wel merk als er reden is voor echt alarm.
En toch weet je het gewoon niet. Toen ik wèl een infarct had, was het ook niet overduidelijk. En dat maakt het diffuus.
Waar ik houvast aan heb is de regel dat je 3x nitrospray gebruikt met tussenpozen van 10 minuten. Als daarmee de klachten niet verminderen bel ik. En ik vind de vraag die je jezelf stelt: wat zou ik tegen een ander adviseren in zo’n geval, ook heel krachtig.